Zware tegenslag voor theorieën over donkere materie?
Bij het meest nauwkeurige onderzoek van de bewegingen van sterren in de Melkweg tot nu toe zijn geen grote hoeveelheden donkere materie in de omgeving van de zon aangetroffen. Volgens algemeen geaccepteerde theorieën zou de zonsomgeving rijk moeten zijn aan donkere materie – een geheimzinnige, onzichtbare substantie die alleen indirect waarneembaar is via de zwaartekrachtsaantrekking die zij uitoefent. Maar uit nieuw onderzoek door een team van astronomen in Chili blijkt dat deze theorieën niet in overeenstemming zijn met de waargenomen feiten. Dat zou kunnen betekenen dat de pogingen om donkeremateriedeeltjes op aarde rechtstreeks te detecteren tot mislukken gedoemd zijn. Een onderzoeksteam heeft met de 2,2-meter MPG/ESO-telescoop van de ESO-sterrenwacht op La Silla en andere telescopen de bewegingen van meer dan 400 sterren tot op 13.000 lichtjaar van de zon in kaart gebracht. Uit deze nieuwe gegevens hebben zij, voor een volume dat viermaal zo groot is als bij voorgaande onderzoeken, de hoeveelheid materie in de omgeving van de zon berekend.
ALMA ontdekt hoe nabij planetenstelsel in elkaar zit
Een nieuwe, nog in aanbouw zijnde sterrenwacht heeft voor een grote doorbraak gezorgd in het onderzoek van een nabij planetenstelsel, en belangrijke aanwijzingen opgeleverd over de manier waarop zulke stelsels ontstaan en evolueren. Astronomen die gebruik maken van de Atacama Large Millimeter/submillimeter Array (ALMA) hebben ontdekt dat de planeten die om de ster Fomalhaut cirkelen veel kleiner moeten zijn dan oorspronkelijk werd gedacht. Dit is het eerste gepubliceerde wetenschappelijke resultaat van ALMA in de eerste periode dat astronomen van overal ter wereld hem voor waarnemingen kunnen gebruiken. De ontdekking is te danken aan buitengewoon scherpe ALMA-opnamen van de schijf of ring van stof rond Fomalhaut, die op ongeveer 25 lichtjaar van de aarde staat. Deze opnamen helpen een discussie tussen eerdere waarnemers van het stelsel beslechten. De ALMA-opnamen tonen aan dat zowel de binnen- als de buitenrand van de dunne stofschijf heel scherp is. In combinatie met computersimulaties brengt dit astronomen tot de conclusie dat de stofdeeltjes binnen de schijf worden gehouden door de zwaartekrachtswerking van twee planeten – een die zich dichter bij de ster bevindt dan de schijf en een daarbuiten (1).
De eetgewoonten van puberende sterrenstelsels
Nieuwe waarnemingen, gedaan met ESO’s Very Large Telescope, leveren een belangrijke bijdrage aan onze kennis van de groei van jonge sterrenstelsels. Bij de grootste survey in zijn soort hebben astronomen ontdekt dat sterrenstelsels tijdens hun tienerjaren – de periode van ongeveer 3 tot 5 miljard jaar na de oerknal – hun eetgewoonten hebben veranderd. Aan het begin van die periode gaven zij de voorkeur aan een gelijkmatige aanvoer van gas, maar hun latere groei is voornamelijk te danken aan het kannibaliseren van kleinere stelsels. Astronomen weten al een tijdje dat de eerste sterrenstelsels veel kleiner waren dan de indrukwekkende spiraalvormige en elliptische stelsels die het huidige heelal bevolken. In de loop van de kosmische geschiedenis zijn sterrenstelsels enorm veel zwaarder geworden, maar de aard van hun ‘voedsel’ en eetgewoonten is nog steeds een raadsel. Een nieuwe survey van zorgvuldig geselecteerde sterrenstelsels richtte zich op hun tienerjaren – ruwweg de periode van 3 tot 5 miljard jaar na de oerknal.
VLT herontdekt leven op aarde...
Door met ESO’s Very Large Telescope naar de maan te kijken, hebben astronomen bewijzen gevonden voor leven in het heelal – op aarde namelijk. Het ‘ontdekken’ van leven op onze thuisplaneet klinkt als een triviale onderneming, maar de nieuwe aanpak van een internationaal team zou in de toekomst kunnen leiden tot de ontdekking van leven elders in het heelal. Het onderzoek staat beschreven in een artikel dat op 1 maart 2012 in het tijdschrift Nature verschijnt.
Het interplanetair magnetisch veld (IMF)
Het interplanetair magnetisch veld is een deel van het magnetisch veld van de zon dat in de interplanetaire ruimte wordt gesleurd door de zonnewind. De interplanetaire magnetische veldlijnen zijn zogezegd "bevroren" in het plasma van de zonnewind. Omdat de rotatie van de zon, het interplanetair magnetisch veld (IMF), zoals de zonnewind naar buiten komt in een spiraalpatroon wordt het soms vergeleken met het patroon van watersproeier in de tuin die ronddraait. De oorsprong van het IMF bevindt zich in de gebieden op de zon waar de magnetische veldlijnen open zijn, dit is dus waar de veldlijnen van de ene regio niet terugkeren naar een verwante regio maar zich eigenlijk virtueel uitstrekken tot in de ruimte. De richting (polariteit) van het veld in de noordelijke hemisfeer van de zon is omgekeerd aan dat van het veld in de zuidelijke hemisfeer. Bij elke nieuwe zonnecyclus keren deze polen om.
Wat is zonneactiviteit?
Het aantal zonnevlekken en magnetische polariteit van zonnevlekken varieert met een periode van ongeveer 11 jaar (22 jaar magnetische). Rond het zonneminimum zijn er weinig zonnevlekken zichtbaar en kan het gebeuren dat de zon enkele dagen volledig blanco is. Ongeveer 18 maanden voordat de oude cyclus eindigt, kunnen al enkele vlekken van de nieuwe cyclus op de zon verschijnen nabij 25 graden noorderbreedte of zuiderbreedte, met de overblijvende zonnevlekkengroepen die zich op beide zijden van de evenaar bevinden. Nadat de zonnevlekken uit de oude cyclus "gestorven" zijn, zullen de nieuwe vlekken groter worden en zullen er meer nieuwe vlekken gevormd worden. Met deze sprong in zonnevlekkenvorming verspreiden deze vlekken zich naar hogere breedtegraden tot 30 graden noordelijk of zuidelijk, die aangeven dat de nieuwe cyclus aan het opkomen is (enkele kortdurende zonnevlekken kunnen ontstaan tot 70 graden noordelijk of zuidelijk). De zonnevlekken vormen zich in verscheidene groepen, bestaande uit een grotere dominante zonnevlekleider of zonnevlekkenleider, vaak gevolgd aangezien de zon draait door wat kleinere staartvlekken. De activiteit verspreidt zich ook in locatie, met elke hemisfeer die een onregelmatige brede gordel vormt van zonnevlekkenactiviteit die langzaam naar de evenaar drijft wanneer de cyclus verdergaat.
Messier 8
M8 of de Lagunenevel is de mooiste van een trio van drie emissienevels in Sagittarius: M8, M17 en M20. De nevel moet zeker niet onderdoen voor M42 (de Orionnevel), maar doordat het in onze streken niet zo hoog komt wordt hij vaak ondergewaardeerd. M8 is een grote emissienevel met een open cluster binnenin. Deze cluster met jonge sterren verwarmt het gas in de nevel en zorgt ervoor dat deze licht uitstraalt. De naam Lagunenevel komt van een donkere lijn of lagune die reeds in een binoculair zichtbaar is (in het engels "the lagoon" genoemd), die de heldere regio's van de nevel scheid.
Mimas
Mimas was is de Griekse mythologie de zoon van Gaia en dit hemelobject werd in 1789 ontdekt door William Herschel. Deze maan heeft een diameter van ongeveer 392 kilometer en draait om de 0,94 “aardse dagen” om de planeet Saturnus. Dit kleine hemellichaam wordt gekenmerkt door een enorme inslagkrater die van ver te zien is en bijna voor vernietiging van deze maan zorgde.
Antlia - Luchtpomp
Mythologie
De Franse astronoom Abbé Nicolas Louis de Lacaille creëerde 14 sterrenbeelden voor de zuidelijke hemel om enkele sterarme gebieden op te vullen, één daarvan was Antlia. De oorspronkelijke naam was Antlia Pneumatica of ook wel de Luchtpomp genoemd. De luchtpomp werd uitgevonden door de Franse fysicus Denis Papin.
Aan Antlia is er geen mythologie verbonden aangezien Lacaille stopte met het geven van mythologische namen aan sterrenbeelden en in de plaats daarvan namen gaf van wetenschappelijke instrumenten.
Carina
Algemeen
Carina is een sterrenbeeld die je kan zien vanaf het zuidelijk halfrond en is een deel van het oude sterrenbeeld Argo Navis (het schip Argo). Het bevat de heldere ster Canopus, de tweede helderste ster aan de nachtelijke hemel, en de supermassieve ster η Carinae welke zich in de grote Eta Carinae nevel bevindt (NGC 3372).