|
Astronomie doorheen de geschiedenis |
|
|
|
|
Sterrenkunde -
Astronomie
|
|
Geschreven door Kris Christiaens
|
 |
De Griekse geograaf en astronoom Hipparchus is in het jaar 129 voor Christus klaar met het opstellen van zijn catalogus van sterren. In deze catalogus werden zeer nauwkeurig 1080 sterren opgenomen. |
 |
De Griekse astronoom, wiskundige en geograaf Claudius Ptolemaeus schrijft rond het jaar 147 zijn dertiendelig manuscript 'Hè mathèmatikè syntaxis'. In dit boek wordt een compleet overzicht gegeven over de sterrenkunde in de oudheid en het bevat ondermeer ook 48 namen van sterrenbeelden die vandaag de dag nog steeds gebruikt worden. Dit boek wordt in de negende eeuw vanuit het Grieks vertaald in het Arabisch waar het de Arabische titel 'Almagest krijgt'. Tot in de 16de eeuw is de Almagest het belangrijkste sterrenkundige werk waarin ondermeer staat dat de Aarde het middelpunt is van het heelal. |
 |
In 1543 wordt in Neurenberg voor het eerst het boek 'De revolutionibus orbium coelestium' gedrukt. Dit boek werd geschreven door de Oost-Pruisische astronoom Nicolaus Copernicus en beschrijft een heliocentrisch model voor het zonnestelsel. Na decennia van onderzoek draagt hij dit boek uiteindelijk op paus Paulus III en bestaat het uit zes delen. Zo worden de schijnbare bewegingen van de Zon en de maan langs de hemel, de principes van cirkelbewegingen in de sterrenkunde en het heliocentrische model van Copernicus in het boek beschreven. Het meesterwerk van Copernicus werd 60 jaar na de dood van de astronoom aangevallen door de kerk waarna het boek zelfs een tijd op de lijst met verboden boeken stond. |
 |
De Duitse astronoom Johannes Bayer maakt in 1603 zijn atlas van de hemel 'Uranometria'. Dit was de eerste atlas die de gehele hemel in kaart bracht. De atlas bestond uit 51 op koperplaten gegraveerde kaarten. De eerste 48 kaarten toonden de 48 klassieke sterrenbeelden die door Ptolemaeus werden geïntroduceerd. Daarnaast bevonden zich in de atlas ook 12 sterrenbeelden uit de zuidelijke sterrenhemel. De Uranometria bevatte nauwkeurige posities van 1 200 sterren. Deze posities werden gebaseerd op de stercatalogus van de Deense astronoom Tyco Brahe. Bayer gebruikte in de Uranometria de methode om aan de helderste sterren een griekse letter toe te kennen. |
 |
De Italiaanse natuurkundige, wiskundige en astronoom Galileo Galilei richt in 1609 voor de eerste maal zijn telescoop naar de sterrenhemel. Galilei had een telescoop gekocht op een Hollandse markt waarna hij deze verbeterde. Uiteindelijk ontdekte hij vier heldere manen rondom de planeet Jupiter en hij nam de schijngestalten van de planeet Venus en kraters op de maan waar. |
 |
'Astronomia Nova' is het beroemdste werk van de Duitse astronoom en wiskundige Johannes Kepler. In 1609 verscheen Astronomia Nova voor het eerst en hierin beschrijft Kepler dat de planeten zich niet in cirkelvormige banen aan de hemel voortbewegen maar dat deze banen ellipsen zijn. Kepler bewijst deze theorie met zijn eerste twee wetten en komt ook tot de vaststelling dat de planeten langs hun banen van snelheid veranderen. Johannes Kepler bestudeerde voor zijn boek vijf jaar lang de planeet Mars. |
 |
In 1668 bouwt Isaac Newton de eerste spiegeltelescoop. Dit type van telescoop maakt gebruik van een parabolische spiegel en een vlakke vangspiegel. Het idee achter dit type telescoop is niet nieuw en werd voor 1668 al door ondermeer Galileo Galilei en Giovanni Francesco Sagredo onderzocht. Newton bouwde dit type telescoop om zijn theorie te kunnen bewijzen dat wit licht is samengesteld uit een spectrum van kleuren. Aangezien de eerste lenzenkijken ook veel last hadden van chromatische aberratie was dit voor Newton een uitdaging om zoek te gaan naar een beter type telescoop. |
 |
De Italiaanse astronoom Giovanni Dominico Cassini ontdekt in 1675 een donkere scheiding in de ring rondom de planeet Saturnus. De scheiding wordt opgemerkt wanneer een ster achter de ring langs gaat waardoor deze oplicht tot haar normale helderheid. Vandaag de dag wordt deze scheiding de 'Cassinischeiding' genoemd. |
 |
In 1705 publiceerd de Britse astronoom Edmond Halley zijn 'Synopsis Astronomia Cometicae' waarin hij beweert dat waarnemingen van kometen die gezien werden in 1456, 1531, 1607 en 1682 steeds dezelfde komeet is. Deze komeet zou om de 76 jaar terugkeren en is nu bekend onder de naam 'komeet van Halley'. |
 |
Charles Messier publiceerd in 1781 in 'Connoissance des Temps for 1784' zijn definitieve lijst met alle zwakke objecten die hij tegenkwam aan de sterrenhemel. Messier maakte zijn catalogus om kometenjagers zoals hijzelf te helpen een onderscheid te maken tussen permanente en voorbijgaande hemelobjecten. In de catalogus van de Franse astronoom staan op dat moment 103 objecten die hij nummert van M1 tot M103. Vandaag de dag wordt de 'Messier-lijst' nog steeds gebruikt en is het een handig hulpmiddel onder amateur-astronomen. |
 |
Op 13 maart 1781 ontdekt de Britse astronoom, componist en muziekleraar William Herschel de planeet Uranus. Herschel noemde dit object 'Georgium Sidus' waarna in 1850 de door Johann Bode voorgestelde naam Uranus officieel in gebruik genomen werd. |
 |
Tussen 1785 en 1789 bouwen William en Caroline Herschel in het Engelse Slough een telescoop waarvan de hoofspiegel een diameter heeft van 120 centimeter. De brandpuntsafstand van de telescoop bedroeg 14 meter (40 foot) waardoor dit observatorium al gauw de naam 'Great Forty-Foot' kreeg. Vijftig jaar lang was dit de grootste telescoop op Aarde. Met deze telescoop ontdekte William Herschel de Saturnusmanen Enceladus en Mimas. De telescoop werd gebouwd met geld afkomstig van King George III. |
 |
Giuseppe Piazzi ontdekt op 1 januari 1801 een object dat scheen te bewegen tegen de achtergrond van vaste sterren. De Italiaanse wiskundige en astronoom dacht een nieuwe ster ontdekt te hebben maar toen hij het object zag bewegen was hij er van overtuigd dat hij een nieuwe planeet ontdekt had. Toch bleef Piazzi voorzichtig en kondigde hij aan dat hij een nieuwe komeet ontdekt had. Vandaag de dag kennen we dit object als de dwergplaneet Ceres dat zich in de planetoïdengordel bevindt tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter. |
 |
In 1840 wordt de eerste foto van de maan gemaakt. De Amerikaanse wetenschapper John W. Draper slaagt erin om het oppervlak van de maan als eerste te fotograferen. Draper wordt hierdoor omschreven als de vader van de astrofotografie. |
 |
De Duitse astronomen Johann Galle en Heinrich d'Arrest ontdekken op 23 september 1846 aan het observatorium van Berlijn de planeet Neptunus. Hun waarnemingen waren gebaseerd op gegevens van John Couch Adams en Urbain Le Verrier die drie jaar eerder, onafhankelijk van elkaar, de baan van dit object berekenden. Galle en d'Arrest observeerden Neptunus op slechts 1° vanaf de plaats waar Adams en Le Verrier haar hadden voorspeld. |
 |
Tijdens de oppositie van 1877 neemt de Italiaanse astronoom Giovanni Schiaparelli voor het eerst 'lijnen' waar op het oppervlak van de planeet Mars. Schiaparelli noemt deze lijnen 'Canali' waarna dit al gauw in het Engels misleidend vertaald werd als 'canels' in plaats van 'channels'. Aangezien het ging om rechte lijnen ontstaan al gauw speculaties dat deze 'canali' het werk zijn van intelligente Marsbewoners. Volgens Schiaparelli stroomde er water in deze 'canali'. Uiteindelijk waaide de rage van de Marskanalen over toen men ontdekte dat dit eigenlijk gezichtsbedrog was. |
 |
De Amerikaanse astronoom Asaph Hall ontdekt in augustus 1877 de twee manen Phobos en Deimos rondom de planeet Mars. |
 |
De Deen Ejnar Hertzsprung en Amerikaan Henry Norris Russell ontdekken, onafhankelijk van elkaar, de relatie tussen de absolute helderheid van een ster en zijn spectrum. Deze relatie leidt uiteindelijk tot het Hertzsprung-Russelldiagram waarin sterren geclassificeerd worden. Het Hertzsprung-Russelldiagram is in de astronomie een vaak gebruikt diagram aangezien het een zeer goed inzicht geeft in de evolutie van sterren. |
 |
Tussen 1912 en 1914 ontdekte de Amerikaanse astronoom Vesto Slipher roodverschuiving in de spectra van spiraalstelsels. Slipher onderzocht de Andromedanevel en concludeerde dat deze zich met een snelheid van 300 kilometer per seconde naar de zon bewoog. Bij observatie van andere spiraalstelsels bleek dat deze zich van ons verder weg begaven. Deze informatie legde uiteindelijk de basis voor belangrijke doorbraken in de sterrenkunde door Edwin Hubble en Georges Lemaître. |
 |
De Amerikaanse astronoom en kosmoloog Edwin P. Hubble toonde in 1923 aan dat de wazige 'nevels', die men eerder had ontdekt, niet deel uitmaakten van ons melkwegstelsel maar dat deze sterrenstelsels waren die zich buiten de melkweg bevonden. |
 |
De Amerikaanse astronoom Clyde Tombaugh ontdekt in 1930 de dwergplaneet Pluto. Tombaugh ontdekte het kleine hemelobject op het Lowell observatorium met behulp van een astrograaf waarmee hij foto's van de sterrenhemel maakte. Tussen 1930 en 2006 zal men Pluto aanschouwen als een echte planeet waarna de International Astronomical Union (IAU) Pluto classificeert als 'dwergplaneet'. |
 |
Subramanyan Chandrasekhar toonde in 1930 aan dat niet alle sterren eindigen als een witte dwerg. De van oorsprong Indiase natuurkundige concludeerde dat sterren met een massa 1,4 maal groter dan die van de zon ineen storten tot objecten met een enorme dichtheid. Het licht zou zelfs niet kunnen ontsnappen aan dergelijke objecten met enorme zwaartekracht. Zijn bevindingen werden eerst met veel scepsis ontvangen maar vandaag de dag weten we dat dergelijke objecten neutronensterren of zwarte gaten zijn. De massa van 1,4 maal de massa van onze zon wordt in de astronomie ook de 'Chandrasekhar-limiet' genoemd. |
 |
Karl Guthe Jansky ontdekte in 1931, op 26-jarige leeftijd, een derde vorm van ruis in radioverbindingen dat werd uitgezonden vanuit het centrum van ons melkwegstelsel. Hierdoor ontdekte de Amerikaanse natuurkundige dat hemellichamen naast licht ook radiostraling uitzenden. Jansky wordt door zijn ontdekking dan ook omschreven als de vader van de radioastronomie. |
 |
Op 26 januari 1949 wordt de 200-inch (501 cm) Amerikaanse Hale telescoop voor het eerst naar de sterren gericht. Deze spiegeltelescoop maakt deel uit van het Palomar Observatory in Californië en was tussen 1949 en 1976 de grootste optische telescoop op Aarde. De hoofspiegel van de telescoop had een gewicht van 14,5 ton en werd bevestigd op een equatoriale montering. Later bleek dat het bouwen van telescopen met grotere nog hoofdspiegels en dezelfde montering niet mogelijk was aangezien de spiegel zou breken door zijn eigen gewicht. |
 |
Jocelyn Bell Burnell en Athony Hewich ontdekken op 28 november 1967 de eerste pulsar. Beide astronomen sluiten uit dat het signaal afkomstig is van de Aarde aangezien het niet terugkwam na een periode van 24 uur. Brunell en Hewish gaven het object de naam 'Little Green Men' aangezien het leek op een radiobaken dat afkomstig was van buitenaards intelligent leven. Uiteindelijk kwam men tot de vaststelling dat het object een neutronenster was. Vandaag de dag is dit object gekend onder de naam 'PSR 1919+21'. |
 |
Op 24 april 1990 wordt de Amerikaans-Europese 'Hubble Space Telescope' met succes in een baan om de Aarde gebracht op een hoogte van 615 kilometer. Kort na de lancering blijkt echter dat de hoofdspiegel lijdt aan sferische aberratie waardoor de beelden niet optimaal scherp zijn. Uiteindelijk wordt in december 1993 de Hubble ruimtetelescoop hersteld tijdens de STS-61 missie. Sindsdien is dit de meest succesvolle ruimtetelescoop in de geschiedenis van de sterrenkunde. |
 |
Tussen 16 en 22 juli 1994 slaan 21 fragmenten van de komeet Shoemaker-Levy 9 in op de planeet Jupiter. Sommige fragmenten hadden een diameter van 2 kilometer. Dit was de eerste maal in de geschiedenis van de astronomie dat een kosmisch bombardement rechtstreeks kon waargenomen worden. Na de inslagen stegen vuurbollen zo groot als de Aarde op in de atmosfeer van Jupiter. |
 |
Michael Mayor ontdekt in 1995 rondom de ster 51 Pegasi in het sterrenbeeld Pegasus de eerste planeet rondom een 'normale' ster. Deze exoplaneet krijgt de naam '51 Pegasi b' en staat slechts 7,5 miljoen kilometer van zijn ster. Om de 4,2 dagen maakt de exoplaneet een omwenteling om zijn ster. De massa van deze planeet bedraagt 0,47 maal de massa van Jupiter. |
 |
Op 24 juli 2009 wordt door koning Juan Carlos I van Spanje de Gran Telescopio Canarias ingehuldigd. De telescoop heeft een hoofdspiegel met een diameter van 10,4 meter en bevindt zich op een 2400 meter hoge vulkanische berg op het Spaanse eiland La Palma. De Gran Telescopio Canarias is een samenwerkingsproject tussen Spanje, Mexico en de Universiteit van Florida en kostte 130 miljoen euro. Gedrurende zeven jaar hebben meer dan 1000 mensen gewerkt aan dit observatorium. Bij de inhuldiging was dit de grootste telescoop op Aarde.
|
|